nl

Molenstraat 10, 5113 GG Ulicoten

Mijn Theeuwes
Midipare zeugen (worp 3 – 5) zijn de beste pleegzeugen

Midipare zeugen (worp 3 – 5) zijn de beste pleegzeugen voor de prestaties van zowel lichte als zware biggen, voor én na het spenen.

18 april 2019 Erik Laeremans
Recent onderzocht men de invloed van het geboortegewicht (licht ≤ 1,25 kg versus hoog: 1,50 – 2,00 kg) en het worpnummer (1ste, 2de en oudere [3 – 5]) van de pleegzeugen op de opname van vast voer tijdens de zoogperiode en de groei na het spenen.

In totaal werden 507 biggen en 39 zeugen in de proef gebruikt. Het overleggen vond plaats binnen 24 uur na het werpen waarbij tomen van 13 biggen/zeug bestaande uit alleen lichte of alleen zware biggen werden gecreëerd. De speenleeftijd bedroeg 28 dagen. De biggen werden gevolgd tot de leeftijd van 68 dagen (10 weken).

 

Eersteworps zeugen produceren niet genoeg melk met als gevolg dat deze biggen meer vast voer opnemen voor het spenen, maar dit was niet genoeg om hun groei na het spenen te verbeteren. Biggen van eersteworps zeugen bleven klein gedurende de ganse proefperiode.

 

Biggen bij de tweedeworps zeugen aten nauwelijks vast voer in de kraamstal, waardoor veronderstelt wordt dat deze zeugen voldoende melk produceren. Dat de biggen hierdoor minder hard gegroeid zijn na het spenen kan hier een gevolg van zijn.

 

De beste prestaties zag men bij de oudere zeugen: deze biggen aten het meeste vast voer in de kraamstal en groeiden het hardst na spenen.

 

Het vast voer werd verstrekt vanaf 10 dagen leeftijd. Het grootste deel (>80%) van dit vast voer werd echter pas opgenomen in de laatste week voor het spenen (dag 21 tot 28) waarvan de helft van de totale hoeveelheid in de laatste 3 dagen voor spenen (> d 25).

 

 

Figuur 1: Effect van worpnummer op mogelijke voeropname. Hoe donkerder de kleur, hoe groter de kans dat er voeropname was.

 

Zoals verwacht bleven licht geboren biggen kleiner voor- en na het spenen, in vergelijking tot de biggen die zwaar geboren werden. De afwezigheid van een significante interactie tussen geboortegewichtsklasse en pariteit van de pleegzeug geeft aan dat de pariteit van de pleegzeugen de prestaties voor en na het spenen van alle biggen op een soortgelijke manier beïnvloedt. Niettemin, het verminderde melkproductievermogen van primipare zeugen resulteerde in lagere speengewichten in vergelijking met biggen grootgebracht door zeugen van de tweedeworps en de midipare groep, en ondanks hun hogere aantal ‘eters’ bleven zij bij de lichtste biggen na het spenen. Hoewel het hoogste aantal ‘eters’ werd gezien bij de primipare en midipare tomen, kon er geen directe link tussen ‘eterklasse’ pleegzeugpariteit en de prestaties na het spenen worden gemaakt. Het verschil in lichaamsgewicht dat gezien werd op het moment van spenen tussen de primipare en de tweedeworpse groep verdween na het spenen wat een gevolg kan zijn van de lage voeropname voor het spenen van de groep bij de tweedeworps zeugen. De relatief hoge speengewichten van de biggen van de midipare zeugen en hun hoge voeropname voor het spenen, leidde tot een aanzienlijk hogere groei na spenen en gewicht op de leeftijd van 10 weken. Over het geheel genomen geven de resultaten ondubbelzinning aan dat ongeacht het gewicht van de big, idealiter de biggen verlegd worden naar midipare zeugen.

Tags: Zeugen pleegzeugen zware biggen spenen Theeuwes Mengvoeders
" Blijf op de hoogte met onze pers en mail! "